07-03-08

The Piggy Palace

(gedichtencyclus in opbouw)

 

Ouverture

(twee sonnetten, een rondeel en een varkensstaartje)

I.

Wanneer verwachtingen het laagst zijn, de grond
plat op de buik gaat en zelfs de kerktoren niet
boven de schaduw uitkomt. Dan. Deze avond.
The Piggy Palace, laat ons zeggen: net niet

na zonsondergang, wanneer het galmei
zich roert, kobolden uit de aarde kruipen
voor het bal masqué van de Libertijnse Partij,
wanneer de landelijke notabelen zich bezuipen.

Groot feest zal het zijn zowaar – olé olé –
met billenkoek en vlotte kolder. Er zal 
wijn zijn van ’t huis en spare ribs à volonté
– en karnavalskrakers met bazuingeschal.

Daarom, Vrienden van het Zwijn: geen malaise,
het is Ladies’ Night en er wacht een polonaise.

 
II.

Wees genereus en dood een zwijn
het jaar is om: de nachten waren nooit
zo zilverdonker, de baard van de rabijn
tiert genereus, ik dood een zwijn
wat zout en peper, een scheutje maraskijn
moet voldoende zijn (maar is het nooit)
– wees genereus: dood een zwijn
en vloek: het jaar begint, het is voltooid.

 
III.

Dit feest wordt een knaller van formaat, het staat
in de sterren geschreven. Scheermesjes naast ieder glas
en voor wie het wenst: een exclusieve dansmaat
voor de scherpste stiletto’s – Robbie en David , alias

Hildisvin en Gullinborsti: een tango
om nimmer te vergeten. Bloed zal stromen,
tongen zullen rollen. En dan: een adagio,       
koud geserveerd door ervaren haptonomen.

Adonis laat zijn ballen zien en als het mag,
zo even na de middernachtsmis, in de Salon,
zingt Sint-Antonius de Psalm van Rodenbach.
Klap op de vuurpijl: de twee broertjes Pickton       

in gelooide vellen, met nooit geziene imitaties
van de MILF van het jaar: lady Demeter Pelasgis.

 
IV.

Laat ons een spelletje spelen: ik ben
voortaan jou en jij: alles wat niet
in het vriesvak van mijn gedachten past.

Ooit snij ik mijn hart eruit.
 

Tafels 1, 3 en 12

Het kon niet langer uitblijven: nu Ze Hem
netjes hebben gevierendeeld hebben Zij
plots weer een gesprek. Over de smaak
van koteletten, over spek en het beest

op de borden. Eindelijk: vreugdesalvo’s,
zeldzame sneeuw en water bij de wijn.
Zinloos, vluchtig. Een heuse opluchting,
want Zijn betekenisvolle stiltes hadden

Hen danig vermoeid. Nochtans zijn Zij
best vlotte jongens. Ram, bijvoorbeeld,
neemt met bravoure het Woord, richt het
tot de drie Dames aan het naburige tafeltje.

Honger, de eenzaat aan tafel één, bekijkt
het horloge, schudt zacht het hoofd en verlaat
de zaal. Even maar. De handen gaan wassen
in onschuld. Zijn pas verraadt een meesterplan.

Tafel 2

De dichter heeft een romantische tête-à-tête
met zichzelf. Schuift de afgekloven ribbetjes
voorzichtig, als een gedicht, in juiste volgorde,
een ordening vanuit het niets, die nergens
heen wil maar zichzelf inhaalt. Zijn servet
vertoont vetvlekken die lijken op engelen
maar hij besluit dit toe te schrijven aan

het toeval.

De dichter heeft een romantische tête-à-tête
met zichzelf. Leest in het patroon van ribbetjes
een verhaal over slachtpartijen en het plan
dat eindelijk zijn uitvoering nadert. Het weten
laat men beter aan engelen over. Vergeten
is niet langer mogelijk en er druipt wat vet
langs zijn kin. Glinsterend als dauwdruppels.

Tafel 4

Aan tafel vier vallen de klappen. Nu spuwt
Heraclitus, bejaarde clown van circus Efeze,
die nooit de confrontatie heeft geschuwd,
vuur. Uit Milete: twee helden van de trapeze

die met zoveel protserigheid niet zijn gediend.
Met water gooit de één en de ander blaast,
maar het vuur verdappert en verkankelemient
ook de avond van Xenophanes die in de haast

nog wat slijk er tegenaan gooit. De smeerlap
loopt altijd met modder in de zakken rond,
het schijnt dat hij biggen te vriend heeft. Drab
in zijn hoofd, zegt men, vuilnis in zijn mond:

Mensen zijn varkens” en nog, zonder berouw:
“Loof de Heer, Hij is eeuwig en een son of a sow”.

Tafel 5

En nu: gordijnen dicht want het is tijd
voor een zonde. Morgen geen aubade
of malle vreugdedansjes bij het ontbijt,
want dit is de ballade, de balllade
van Gilles de Rais. Hij eet vleessalade,
vleessalade van het huis. De nacht
is een koud mes in een donkere lade,
dus blonde jongen, sluit de ogen zacht.

De moeder van alle oorlogen: appetijt,
heus waar, mijn vriend, dit is geen boutade,
men betrapt mij nooit op een absurditeit,
want dit is de ballade, de balllade
van Gilles de Rais. Hij eet karbonaden,
verse karbonaden van het huis en lacht
tevreden bij dit kwistig stoven en braden,
dus blonde jongen, sluit de ogen zacht.

Mijn vriend, voor jou een frisse brutaliteit
en spreek van geluk: hij kent geen genade,
dus jou wacht een uitgelezen bestialiteit,
want dit is de ballade, de balllade
van Gilles de Rais. Hij eet estouffade,
estouffade van het huis. Dus verwacht
alleen het beste, groet van mij de maden,
mijn blonde jongen en sluit de ogen zacht.

Laat ons vrolijk dansen in de marmelade
terwijl Gilles je wikt en weegt en slacht
en wij zijn er lachend bij en slaan het gade,
dus blonde jongen sluit de ogen zacht.

Tafel 6

Het pompen geeft de lichamen richting mee.
Omdat ze van haar houden, de marranos. Hun bloed
is zwart van liefde. Men beweert: dit is het bloed
van uitverkorenen. Un train peut en cacher

un autre. Het pompen verontrust: in het bloed
stroomt er bloed en in dit bloed groeit het gras
van hun jeugd. Een vroeger (toen het beter was).
Maar zij, gifmengster, sust hen: ook dit is goed,

nee, dit is beter. En ze strooit met parels. Ze rollen
en kaatsen. Men geeft haar naampjes: Kirke en liefje
en hartediefje, en soms, fluisterend: Fortunato

Israël
, Israël, land van suikerbollen,
zingen de zotten. Nippend aan een aperitiefje
dompelt ze haar albasten gezicht in sfumato.

Tafel 9

“Een oorlog!” roept de oudste, de meest gehaaide
der Vlaamse bedrijfsleiders, “dat scherpt de eetlust”.
“Is dat wel innovatief, André, en moeten we niet
vooruit?” “We beschieten ze met cervelaat!”

“En wat als we nu eens varkens voederen met
varkens. En zo: een varken per varken per varken
per varken. U begrijpt: de mogelijkheden zijn
onbeperkt”. “We bedelven ze onder de zult!”.

“Ach nee, vrienden, de fik erin zeg ik,
de tent in lichterlaaie en we wentelen
de schuld af op de vegetariërs, die vuile
grasherkauwende vijanden van de welvaart”.

André heeft zijn sokken hoog opgetrokken
en boven Vlaanderen kleurt de hemel roze.

Tafel 0

Wat men ook beweert, tafel nul
bestaat niet.
 

22:04 Gepost door Frédéric Leroy in 6- Gedichten | Permalink | Commentaren (8) |  Facebook |