28-11-07

Wenteling

I.

Het wentelen begon (nauwelijks zichtbaar maar onoverkomelijk als het dalen van de avondzon, schijf die roestig in haar schoot zonk en waaraan ze haar vingers sneed).

Terwijl ze op het hemelvlak lijnen trok, patronen ontwierp, sloeg ik een arm om haar schouder, wees haar op het kleine, koppige cirkelen dat schuilde in zand en water. Ze had het heus wel in de gaten zei ze, in haar lichaam ging het al dagenlang tekeer op tijgerpoten.

II.

De wind was niet langer een bondgenoot. Het wentelen sloeg over op de meeuwen (die op hun beurt krijsend de hemel meesleurden en de duinen op losse schroeven zetten). Draaikolkjes nestelden zich in mijn poriën.

Het vermoeden groeide uit tot een monster van los zand.

De troepen werden erop uitgestuurd, op zoek naar een motief, een spiraalreliëf in de tegels van haar onderbuik. Ik liet mijn handen rusten op de lemen muren van haar borsten, om na te gaan of daar geen beweging in zat, spitte haar ogen uit, ging jagen in haar haren, maar zoveel machtsvertoon schrikte af en het wild ging schuilen, onderhuids.

III.

Plechtig werd, in het trage haardvuur van haar heupen, de spil gelegd. Gesterkt dook ik onder in haar glimlach van lauwe as. Het overweldigende, grijsblauwe zwijgen.

20:43 Gepost door Frédéric Leroy in 6- Gedichten | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |